Tuinieren voor beginners

Bij tuinieren kom je met enige kennis van grond, planten en mest (voeding) heel ver.

De grond of bodem biedt de plant houvast en bevat voedingsstoffen. De voedingstoffen komen beschikbaar als het bodemleven (micro organismen) zich goed kan ontwikkelen. Er moet lucht in de bodem zitten, de zuurgraad (pH) moet goed zijn en de grond moet vochtig zijn (niet te droog en niet te nat). Door te spitten komt er lucht in de bodem en kan je mest (voedingsstoffen) onderspitten. De hoeveelheid voedingsstoffen die de bodem kan bevatten hangt van de grondsoort af. Is het klei-, leem- of zandgrond.

Eenplant bestaat uit een stengel met wortels, bladeren, bloemen en vruchten. Een plant groeit door koolstof (C) in de vorm van CO2 uit de lucht op te nemen en zuurstof (O) en waterstof (H) uit regen- of grondwater te halen. Onder invloed van licht maken de planten daar plantendelen van. Als een plant veel blad maakt, dan is er veel stikstof (N) nodig. Voor een goed wortelgestel is fosfor (P) nodig. Voor vruchten, bloemen en knollen is er kalium (K) nodig. Dus we moeten zorgen, dat er voldoende N, P en K in de grond zit. Door te oogsten verdwijnt een deel van de N, P en K uit de bodem. Kalium verdwijnt met het regenwater dat in de grond zakt. De grond bevat meestal voldoende fosfor. De voedingsstoffen worden door kunst- of stalmest aangevuld. (Bij kunstmest staat de verhouding N, P en K op de verpakking.)

De tuinder zorgt voor de planten. Hij of zij verdeelt de mest (voeding of nutriënten) en beschermt de planten tegen onkruid en ongedierte. De mest wordt niet eerlijk verdeeld. De kolen krijgen veel (de helft), de aardappelen en de sla- en wortelgewassen genoeg ( een derde) en de erwten en bonen krijgen iets (een zesde). Kolen maken veel blad en hebben daarom veel stikstof (mest) nodig. Prei is een sla-gewas, maar maakt wel veel blad.

Hoeveelheid mest: Een kubieke meter stalmest op 100 m2 (1 are) is een gemiddelde bemesting. In stalmest zit veel stikstof, wat fosfor en bijna geen kalium. In de grond zit genoeg fosfor, maar kalium voegen we toe door patentkali te strooien.

De groepen waarin we de planten indelen:

  1. Kolen. “De veelvraten.” Rode, witte en groene kool. Radijs is een kool.
  2. Aardappelen. “De goede eters.” Aardappelen en tomaten. Geef ze ook kalium.
  3. Sla- en wortelgewassen. “Ook goede eters.” O.a. sla, andijvie, wortels, bieten , prei.
  4. Bonen. De tevredenen. Dit zijn de erwten en bonen.

De tuinder deelt de tuin in vieren. Op één deel komt één groep planten te staan. Het volgende jaar verschuiven alle groepen naar een ander deel. Vaste planten zoals rabarber en aardbeien verschuiven ook, maar niet ieder jaar. Dit is wisselteelt. De schadelijke micro-organismen krijgen ieder jaar met een ander soort planten te maken en daardoor is hun invloed kleiner.

De tuinder haalt het onkruid weg door spitten of schoffelen of wieden. Onkruid is een concurrent van de planten. Konijnen, duiven, muizen, rupsen en maden willen ook van de planten eten. Vangt deze concurrenten en beschermt daarmee je planten.

Praktische tips

De veelvraten.

De kolen moeten extra veel N (stikstof ) hebben. Kolen zijn gevoelig voor knolvoet. Dit is een ziekte waardoor de haarwortels verdwijnen en er één dikke wortel overblijft. Knolvoet is vooral zomers actief. Door kalk en door alleen in het voorjaar kool te planten is de kans op mislukken veel kleiner. Boeren- en spruitkool hebben minder last van knolvoet en die groeien vooral in het najaar. Bovendien zijn er koolvliegen die graag eitjes bij de stengel van de kool leggen. Uit de eieren komen witte maden die de stengel doorboren.

Tip tegen knolvoet: Plant de kool in een plantgat waarin je 4 eetlepels kalk en één eetlepel bloedmeel (bevat veel stikstof) mengt. In plaats van bloedmeel kan je eens in de veertien dagen mest of kunstmest geven.   

Tip tegen de koolvlieg: Teelt de kolen onder een insectennet. Of bevestig om de stengel een koolkraag. Een rond schijfje van 10 cm. (Ik maak ze van melk- of frisdrank pakken, die bestaan uit laagjes karton, plastic en aluminium. Ze gaan een seizoen mee.)

Aardappelen.

Aardappelen en tomaten zijn nachtschaden. Ze zijn gevoelig voor de aardappelziekte (phytophtora). Aardappelen zijn eigenlijk de wortels en daarom moeten die extra kalium hebben. Patentkali: een ¼ kilo per 10 m2.

Tip tegen de aardappelziekte: 1. Poot alleen vroege aardappelen. 2. Poot aardappelen die minder gevoelig zijn voor de aardappelziekte. 3. Spuit tegen de aardappelziekte. 4. Houd het blad van de tomatenplanten droog door de tomaten onder een afdak te planten.

Sla- en wortelgewassen. 

Dit zijn een aantal verschillende groentes.

Deze groentes zaai je zelf of koop je als potplantjes. Je kunt binnenshuis zaaien en later buiten uitplanten. Maar bedenkt, dat het in huis te warm en te donker is voor groenteplanten. Koop de eerste plantjes in maart. Zaai in maart binnenshuis en zet de kleine plantjes in april onder plastic of glas buiten. Koop iedere 3 weken 4 tot 6 plantjes (sla, andijvie). Na 6 weken kan je sla (andijvie) eten. Huismussen eten graag verse slablaadjes. Zet de plantjes onder vogelnet. Onder gaatjesplastic groeien de plantjes ook en het is er warmer onder.

Bieten en snijbiet

zaai je en dat gaat altijd goed. Je kan ook bietenplantjes kopen.

Wortels

hebben last van de wortelvlieg. De maden vreten gangen in de wortels. Dit kan je wegsnijden. Wortels zijn wortels en daarom krijgen deze planten extra kalium.

Tip tegen wortelvlieg: Teelt wortels onder insectengaas.

Prei, uien, sjalot.

Ook deze groentes hebben last van vliegen. Koop plantuitjes en plantsjalotten, want zaaien van ervan vraag veel kennis. Prei is een plant die langzaam groeit.

Tip tegen prei- en uienvlieg: Teelt ze onder insectengaas

Bonen en erwten.

Erwten, peulen en kapucijners kan je vroeg leggen. Je kan ze al in februari leggen. Huismussen vinden de blaadjes van de peulen erg lekker. Duiven en huismussen vinden de erwten erg lekker. Dus teelt deze planten onder een vogelnet. Oogst de erwten en kapucijners als ze dik en groen zijn. Ze zijn dan lekker, zelf iets zoet. Daarna worden ze licht-bruin, minder zoet en iets melig.

Tuinbonen

kan je thuis voortrekken. Leg ze begin maart in een bak met tuingrond. Als ze 5 centimeter zijn, poot je ze in de tuin. Tuinbonen hebben last van de zwarte bonenluis.

Tip: Haal de top uit de tuinboon.Topt de plant als er vijf trossen bloemen aan één stengel zitten of als de zwarte bonenluis verschijnt.

Stok- en stambonen leg je niet voor midden mei. Deze bonen houden van warmte. Je kan half april een rijtje bonen leggen onder gaatjes-plastic. Als het weer mee zit, dan kan je vroeg enkele maaltjes verse bonen eten.

Ieder tuint op zijn manier.

 Er zijn veel fabels over tuinieren en het internet staat er vol van.

Geniet van je tuin. Kijk hoe de planten groeien en eet met smaak verse groenten.

Spitten is de bodem los maken, zodat er lucht in de bodem komt.

Spitten is zwaar werk. Je kunt je tuin laten ploegen of vrezen. Je kunt cultiveren, of een Grelinette1 gebruiken.

Als de grond los is en loop je op paden en niet op de bedden. Je kunt dan ook met een cultivator werken. Maar wil je mest of compost in de grond werken, dan moet je ploegen, vrezen of spitten.

Schoffelen is de snelste manier om van onkruid af te komen en de bovengrond luchtig te houden. Onkruid is een concurrent van de planten. Als je alles op rijen zaait en plant dan kan je met een schoffel het onkruid los maken. Je hebt snel een bed geschoffeld. Door regen spoelt de bovenste laag van de bodem dicht en door te schoffelen wordt de dichte laag opengebroken.

Maakt de bedden zaai klaar en laat het bed veertien dagen liggen. Schoffelt het bed enkele keren ook al zie je nog geen onkruid. Onkruid, dat net ontkiemt is, komt los te liggen en gaat dood.

Wordt het onkruid groter, dan moet je wieden en in het ergste geval zal onder spitten.  Kweek en zevenblad moet je uitrieken, omdat het een wortelstok heeft. Die wortelstok moet je uit de grond halen en niet op de composthoop gooien.

Planten beschermen.

Grote en kleine dieren eten planten en de schadelijke micro-organismen tasten de planten aan. Je kunt de plant sterk maken, afschermen of je gebruik vergif.

Met gaas en netten bereik je veel. Je vermindert het aantal luizen en de witte vlieg op koolplanten door iedere week met schoon water te spuiten.

Men beweert, dat de éne plant de andere plant beschermt. Het voorbeeld is, dat uien de wortels beschermen tegen de wortelvlieg.

 Slakken kan je doden met slakkenkorrels. Je kunt ze ook vangen met bier en ze vernietigen. Ze gaan in het bier en verdrinken. Je kunt ook een tegel in de tuin leggen, die iets van de grond afligt. De slakken gaan er overdag onder zitten en je kunt ze vangen.

Bemesten.

De handel verkoopt meststoffen in alle hoeveelheden en soorten. Je kunt organische en kunstmest kopen. Hoe mooier de verpakking des te hoger de prijs. Je kunt ook speciale meststoffen kopen. Op de verpakking staan meestal drie getallen, die de percentages stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K) aangeven.12 10 8 zegt dus dat er 12 procent stikstof, 10 procent fosfor en 8 procent kalium in deze meststof zit. Niet in zuiver vorm maar als verbinding. In kalkamonsalpeter zit veel stikstof, in superfosfaat veel fosfor en in patentkali veel kalium. Gebruik goede stalmest en patentkali. Met een paar kg patentkali kan je een paar jaar toe.

Heb je vragen dan kan je altijd bij het bestuur terecht. Ren Mooren is vaak op de tuin. Je kunt het ook aan mij vragen (Henk Hendriks) of op het forum van de Volkstuinen.

** 1 Grelinette

ook wel woelvork of woelriek. Rechts op de foto